Fondsenwerving als motor van maatschappelijk initiatief

Tussen 1996 en 2003 studeerde ik Sociaal-Culturele Wetenschappen aan de Vrije Universiteit. Binnen mijn studierichting was er behoorlijk wat keuzevrijheid, en die heb ik een paar keer benut om vakken van Theo Schuyt te volgen. In de collegebanken voorspelde hij toen al “de Gouden Eeuw van de Filantropie”, doelend op de enorme vermogensoverdracht tussen generaties die eraan zat te komen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Theo’s bevlogenheid enige invloed heeft gehad op mijn keuze om fondsenwerver te worden.

Afgelopen vrijdag nam Theo afscheid, na decennialang een drijvende kracht te zijn geweest achter de filantropische wetenschap in Nederland en het Geven in Nederland onderzoek, waarvan de editie van 2026 net is verschenen.

In zijn afscheidsrede vertelde Theo de ontwikkeling van het particulier initiatief in Nederland. Vroeger kwam veel maatschappelijk initiatief van burgers zelf. Mensen richtten scholen op, verenigingen, kerken, zorginstellingen en goede doelen. De Vrije Universiteit is daar zelf een mooi voorbeeld van. Die is ooit opgericht vanuit een ideaal, en mogelijk gemaakt door mensen die geld gaven.

Later nam de overheid steeds meer taken over. Dat heeft veel goeds gebracht. De verzorgingsstaat is iets om trots op te zijn. Maar er ging ook iets verloren. Als de overheid alles regelt, voelen burgers zich soms minder direct betrokken.

Daarna kwam de tijd van marktwerking. Ook dat veranderde veel. Maatschappelijke organisaties moesten steeds vaker laten zien wat ze precies opleverden. In prestaties, contracten en meetbare resultaten. Soms nuttig, maar ook beperkt. Want niet alles wat maatschappelijk waardevol is, past netjes in een spreadsheet.

Theo pleit daarom voor meer vermaatschappelijking. Simpel gezegd: meer ruimte voor mensen die zelf verantwoordelijkheid nemen. Burgers, donateurs, vrijwilligers, fondsen, verenigingen, kerken, buurtinitiatieven en maatschappelijke organisaties. Of, zoals Theo het mooi zegt: zet twee Nederlanders bij elkaar en je hebt een stichting. Nederland heeft namelijk een sterke traditie van samen iets organiseren. Van verenigingen, bijdragen en zelf doen.

 
 

Precies daar komt fondsenwerving in beeld.

Niet omdat elk maatschappelijk initiatief meteen geld nodig heeft. Vaak begint het juist met mensen die tijd, energie, kennis of contacten inbrengen. Vrijwilligers zijn vaak de eerste motor. Denk aan sportverenigingen, voedselbanken, buurtinitiatieven, kerken, bewonersgroepen en kleine stichtingen. Het begint meestal niet met een begroting, maar met iemand die zegt: dit moet anders, en ik ga iets doen.

Maar als zo’n initiatief wil blijven bestaan, groeien of meer mensen bereiken, zijn er bijna altijd middelen nodig. Soms geld. Soms spullen. Soms ruimte, kennis, partners, aandacht of vaste vrijwilligers. Fondsenwerving gaat dus niet alleen over geld ophalen. Het gaat over betrokkenheid organiseren.

Fondsenwervers zijn daarom niet alleen mensen die inkomsten binnenhalen. Ze verbinden maatschappelijke idealen met mensen die willen bijdragen. Ze maken het concreet: als jij dit belangrijk vindt, kun je iets doen. Met geld, maar soms ook met tijd, kennis, netwerk of een nalatenschap.

En ja, daarbij geldt soms ook gewoon: massa is kassa. Ook een gevleugelde uitspraak van Theo. Want brede steun doet ertoe. Veel mensen die iets bijdragen, klein of groot, maken samen veel mogelijk. En minstens zo belangrijk: ze laten zien dat een onderwerp leeft in de samenleving. Dat is belangrijk, omdat filantropie vaak verkeerd wordt begrepen. Veel mensen denken dan vooral aan rijke mensen die grote bedragen geven. Maar filantropie is veel breder. Het gaat over betrokkenheid. Over gemeenschapszin. Over mensen die verantwoordelijkheid nemen voor iets wat zij belangrijk vinden.

Een sterke maatschappelijke organisatie heeft daarom niet alleen een goede missie nodig. Ze heeft ook mensen nodig die zich ermee willen verbinden. Donateurs, vrijwilligers, ambassadeurs, erflaters, fondsen en partners. Zonder die betrokkenheid blijft maatschappelijk initiatief vaak afhankelijk van toeval of tijdelijke energie. Met goede fondsenwerving wordt het sterker, duurzamer en onafhankelijker.

Fondsenwerving is dus niet alleen vragen om geld. Het is mensen uitnodigen om mee te doen.

Daar ligt ook de opdracht voor ons vak. Fondsenwerving moet niet worden gezien als kostenpost, noodzakelijk kwaad of slimme truc om geld binnen te halen. Het is een belangrijk onderdeel van een gezonde samenleving. Het laat zien waar mensen om geven. Het bouwt vertrouwen. En het geeft maatschappelijke organisaties meer kracht.

De belangrijkste les uit Theo’s afscheidsrede is misschien wel dat betrokkenheid in Nederland helemaal niet verdwenen is. Er zijn nog steeds heel veel mensen die iets willen bijdragen. Maar die betrokkenheid moet je wel zien, voeden en organiseren. En daar speelt het vak van fondsenwerving een belangrijke rol.

Dankjewel Theo, voor jouw bijdrage aan het fondsenwervingvak, de goede doelensector, de filantropische wetenschap en het maatschappelijk initiatief!