Je inkomsten groeien. Maar groei je ook echt?
Veel organisaties kijken met tevredenheid naar hun inkomstenontwikkeling. Begrijpelijk. Groei is niet vanzelfsprekend, zeker niet in een tijd waarin kosten stijgen en het steeds moeilijker wordt om nieuwe donateurs te werven. Toch zit hier een belangrijke valkuil. Want er wordt maar al te vaak geen rekening gehouden met inflatie. En dan kan je opeens een stuk minder doen met meer inkomsten… (Onderaan dit blog kan je een gratis template downloaden om het zelf uit te rekenen!)
Eerst even het verschil uitleggen
Je kan op twee manieren naar jouw inkomsten kijken: nominaal en reëel.
Nominaal betekent: je kijkt naar het bedrag zoals het in dat jaar binnenkwam. Zonder correctie voor inflatie.
Reëel betekent: je corrigeert dat bedrag voor inflatie, zodat je bedragen uit verschillende jaren eerlijk met elkaar kunt vergelijken. Je rekent ze dan terug naar één vast prijspeil, bijvoorbeeld dat van 2015.
Dat verschil is cruciaal. Want €10 miljoen in 2025 heeft niet dezelfde koopkracht als €10 miljoen in 2015. Van een euro kun je nu minder kopen dan tien jaar geleden. Dus het kan heel goed dat je inkomsten op papier flink zijn gestegen, terwijl je echte financiële ruimte veel minder is toegenomen dan je dacht. De CPI (consumentenprijsindex) van het CBS is juist bedoeld om zulke prijsverschillen in de tijd zichtbaar te maken. (Centraal Bureau voor de Statistiek)
Waarom dit voor fondsenwerving belangrijk is
In fondsenwerving sturen we vaak op groei. Meer inkomsten, meer donateurs, meer ruimte om te investeren. Maar als je alleen naar nominale groei kijkt, kun je jezelf rijk rekenen. Stel dat een middelgroot goed doel in 2015 €8 miljoen aan inkomsten had en in 2025 €10 miljoen. Dat klinkt als 25 procent groei. Zo’n lijn ziet eruit als gezonde groei. In veel organisaties zou dit zonder veel discussie als positief worden beoordeeld. Maar als je rekening houdt met inflatie, dan ligt die €10 miljoen in koopkracht veel dichter bij pakweg €8,6 miljoen uitgedrukt in euro’s van 2015.
De reële groei is dus veel kleiner dan die 25 procent op papier doet vermoeden. Dat is geen detail. Want je betaalt je mensen, media, bureaus, systemen en campagnes niet met nominale groei, maar met echte koopkracht.
Een sectorvoorbeeld
Kijk maar naar de Nederlandse goededoelensector. In het recent verschenen State of the Sector 2024 concluderen CBF en Radboud Universiteit dat de opbrengsten over meerdere jaren opvallend stabiel zijn gebleven. Interessant daarbij is dat ze niet alleen naar de bedragen in euro’s kijken, maar die ook corrigeren voor inflatie.
Wie inkomsten over meerdere jaren vergelijkt, wil niet alleen weten hoeveel euro er binnenkomt, maar vooral wat die euro nog waard is. Pas dan kun je eerlijk zeggen of iets echt is gegroeid, gedaald of ongeveer gelijk is gebleven. In dit geval is de uitkomst best sterk. Ondanks corona, inflatie en economische onzekerheid laat de sector als geheel een behoorlijk stabiel beeld zien. Dat zegt uiteraard lang niet alles, maar wel iets belangrijks: reële cijfers geven een betrouwbaarder beeld dan nominale cijfers.
Hoeveel inflatie?
Deze manier van kijken helpt niet alleen om terug te blikken, maar ook om realistischer vooruit te kijken. Want dan komt vanzelf de vraag op tafel: hoeveel moet een organisatie komend jaar groeien om minimaal gelijk te blijven? Een bruikbaar vertrekpunt is de gemiddelde inflatie van de afgelopen drie jaar. Volgens het CBS bedroeg de inflatie in Nederland 3,8 % in 2023, 3,3 % in 2024 en 3,3 % in 2025. Gemiddeld komt dat uit op ongeveer 3,5 procent per jaar. (Centraal Bureau voor de Statistiek)
Dat betekent dat een organisatie volgend jaar ook ongeveer 3,5 procent nominaal moet groeien om in reële termen ongeveer op dezelfde plek te blijven. Voor een organisatie met €10 miljoen aan inkomsten betekent dat een minimaal target van ongeveer €10,35 miljoen. Alles daaronder oogt misschien als groei, maar is in werkelijkheid vooral een minder grote achteruitgang.
Wat dit betekent voor ambitie en upgrades?
Als je nominale groei niet meer automatisch als echte groei ziet, dan heeft dat ook gevolgen voor je ambitieniveau. Want dan wordt zichtbaar dat veel organisaties zichzelf ongemerkt te lage doelen stellen. Een groeidoel van 2, 3 of zelfs 4 procent kan prima klinken, maar in een periode van aanhoudende inflatie is dat soms niet meer dan het minimale dat nodig is om ongeveer op dezelfde plek te blijven.
Wie echt vooruit wil, moet dus niet alleen denken in groei, maar in groei boven inflatie.
Dat raakt ook direct aan de rol van upgrade-programma’s. In een omgeving waarin prijsstijgingen structureel doorwerken, worden programma’s die de waarde van bestaande donateurs laten meegroeien steeds belangrijker. Als giften jarenlang gelijk blijven terwijl de kosten stijgen, dan daalt de reële waarde van die inkomsten vanzelf.
En precies daar zit ook een soort nadeel van structureel geven. Natuurlijk is structureel geven een enorme kracht: het zorgt voor voorspelbaarheid, loyaliteit en een stabiele inkomstenbasis. Maar als structurele giften vervolgens lang op hetzelfde bedrag blijven staan, ontstaat er sluipenderwijs waardeverlies.
Juist daarom zijn upgrade-programma’s geen luxe, maar een noodzaak. Niet alleen om extra groei te realiseren, maar ook om te voorkomen dat een belangrijk deel van je bestaande inkomstenbestand in reële termen langzaam kleiner wordt.
Zelf uitrekenen?
Download hier een simpel Excel template waarin je je bruto inkomsten van de afgelopen 10 jaar invult. De rest wordt vanzelf uitgerekend.
Conclusie
Voor fondsenwerving is groei pas echt betekenisvol als die meer is dan inflatiecompensatie. Niet elke stijgende inkomstenlijn is echte groei. Soms is het vooral een duurdere versie van hetzelfde. Juist omdat structureel geven zo waardevol is, vraagt het om actief onderhoud. Anders blijft het bedrag gelijk, terwijl de waarde jaar na jaar daalt.